Vol verbazing vernamen wSchermafbeelding 2015-12-01 om 16.54.10ij dat minister Bussemaker in een recent onderwijsdebat aangaf weinig te voelen voor het omgooien van de lerarenopleidingen, ondanks de oproep daartoe vanuit de VVD en de PvdA. Ook wij zien juist veel ruimte voor verbetering van het huidige systeem.

Om te beginnen is de carrièrestap weinig aantrekkelijk. Terwijl andere master-afgestudeerden aan de slag gaan in het bedrijfsleven, studeer jij nog een jaartje door. Gedurende dat jaar leef je in twee parallelle werelden: als student aan de universitaire lerarenopleiding (ulo) en als stagiaire/docent op een middelbare school.

Je hebt de chaotische puberende klas nog in je achterhoofd, maar je moet je opeens concentreren op een droog verhaal over verschillende leertheorieën. Het resultaat: ruim 20 procent van de ulo-studenten is ontevreden over zijn opleiding, een hogere score dan bij vergelijkbare opleidingen (minder dan 10 procent).

Ook de werkgevers zijn ontevreden: slechts vier op de tien schoolleiders geven hun beginnende leraren een voldoende voor kennis en vaardigheden. In 2013 bleek zelfs dat slechts 28 procent van de gestarte studenten vijf jaar na het afstuderen nog als leraar werkzaam was. Kortom, het resultaat van een jaar lerarenopleiding lijkt te zijn
dat je volledig ‘bevoegd’ bent, maar je slechts beperkt ‘bekwaam’ voelt. Anders dan de minister betoogt, is er dus wel degelijk werk aan de winkel.

Allereerst vinden wij dat het opleidingsmodel moet omdraaien. Net als bij andere professionele beroepen, is het leraarschap het beste vanuit de ervaring en de praktijk te leren, ondersteund door theorie en inzichten vanuit de literatuur, opleidingen en zelfreflectie.

Intensief begeleiden
Wij hebben voor ogen dat een aspirant-leraar zich niet meer eerst inschrijft bij een lerarenopleiding en dan een stageschool zoekt, maar dat hij gelijk wordt aangenomen als leraar in opleiding en door de school wordt begeleid op weg naar een bevoegdheid.

We voelen ons hierbij gesteund door studies van de Rijksuniversiteit Groningen naar het effect van het intensief begeleiden van net-afgestudeerde leraren in de school. De eerste resultaten tonen aan dat leraren in dit project sterker groeien en minder stress ervaren dan de collega’s die ‘gewoon’ in het diepe worden gegooid.

Is de rol van de universiteiten dan helemaal uitgespeeld? Natuurlijk niet. Het blijft aan de ulo’s om te waarborgen dat de opgeleide leraar uiteindelijk beschikt over de vereiste (theoretische) kennis en voldoet aan de competenties die aan een bevoegd leraar worden gesteld.

School en ulo bepalen gezamenlijk het traject en het curriculum van de nieuwe docent op basis van vooropleiding en relevante werkervaring. Bovendien zou het leertraject langer kunnen duren, zodat theorie kan worden aangeboden op die momenten dat de beginnende leraar daar aan toe is -in plaats van het hele curriculum bijeen te proppen in één studiejaar.

Tenslotte moet er ook meer aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van de leraar als ‘complete’ docent, door in de laatste opleidingsfase vakken als onderwijsvernieuwing en verbetercultuur in het onderwijs aan te bieden. Hierdoor zal de beginnende leraar zich het vakmanschap én het meesterschap in een meerjarige en diepgaande opleiding in de praktijk beter eigen kunnen maken.

Het opleiden van leraren ín de school verspreid over een langere periode, zal leiden tot een grotere aantrekkelijkheid van het leraarschap en het beter en meer inspirerend opleiden van beginnende leraren tot complete docenten. Daarvoor moet Den Haag wel de bestaande kaders los durven laten.

Bron: Trouw – Astrid van der Zijden-Wanrooij en Carsten Daniels